Switch to mobile view
fischer_ivan_article-220x130

Budapest Festival Orchestra o.l.v. Iván Fischer/ Gustav Mahler, Symfonie nr. 5

Gehoord op 28/9 in het Concertgebouw in Brugge.

Soms zijn concerten zo overdonderend dat je ze liever opnieuw in je hoofd wil afspelen dan er een rationele

beschouwing over te schrijven. Soms hoor je na twee maten dat het goed zit, zelfs als die maten voor de solotrompet zijn die de desolate openingsfanfare van Mahlers Vijfde symfonie speelt. Zeker als die solotrompet bij het Budapest Festival Orchestra hoort, ’s werelds jongste toporkest dat zich in enkele decennia tijd tot het ultieme Mahlerorkest ontpopt heeft. Dat laatste heeft vooral te maken met de visie van Iván Fischer, de Hongaarse stichter-dirigent die afgelopen weekend in het Concertgebouw in Brugge te gast was. Zaterdagavond speelden het Budapest en Fischer Brahms en Bartók, en gisterenavond stond Fischers eigen muziek op het programma. Maar vrijdagavond demonstreerde Fischer hoe intuïtief inzicht in Mahlers caleidoscopische geest én het technische vermogen om dat inzicht uit een subliem orkest te dirigeren tot een verbluffende vertolking kunnen leiden die Mahlers gehele universum toont in plaats van alleen maar de contouren. Vooral dat laatste bederft niet zelden de pret bij Mahlerconcerten, die vaak een defensieve houding verraden, als moet Mahlers muziek gerehabiliteerd en verdedigd worden tegen wie haar onevenwichtig en puberaal vindt. De samenhang die schijnbaar ontbreekt moet er, zo leert de traditie, door de maestro ingezwaaid worden, door middel van grote bogen die

Mahlers gefragmenteerde grammatica overspannen en ‘zin geven’. Fischer kiest voor grote structurele helderheid (en totale eerbied voor Mahlers soms groteske ritmewisselingen) en heeft nooit de neiging de naden tussen de collageonderdeeltjes dicht te pappen. Elk akkoord, elke frase is zo spannend en zo geladen dat de dramaturgie ook zonder richtingaanwijzing van bovenaf duidelijk is. Dat is natuurlijk mede de verdienste van de ongeëvenaard fraai spelende muzikanten, die zo geruststellend accuraat zijn dat je als luisteraar de vrees voor valse en gekraakte noten opzij kan zetten om op de echt belangrijke dingen te letten. Fischer is niet bang voor Mahlers geflirt met de grenzen van de goede smaak. Dat had hij voor het concert al bewezen in een onderhoudende inleiding waarin hij aantoonde hoe je als maestro het voorname en het potsierlijke in Mahlers persoon kunt combineren zonder naar een van beide extremen over te hellen.

Het muzikale resultaat was onaards eerlijk: zowel het schrijnende gevoelsexhibitionisme – dat de luisteraar tot tranen dwingt – als een te droge objectiviteit – die Mahler tot alleen maar een fase in de muziekgeschiedenis reduceert – werd vermeden. De staande ovatie was voor een keer niet buiten proportie.

STEFAN GRONDELAERS