Switch to mobile view
François Leleux, Fischer Iván és a BFZ

(Please, scroll down to English)

De dirigent, een Mephisto?

Elk wereldorkest telt minstens één uit de kluiten gewassen hoboïst. Toch zijn er slechts enkele die er hun broodwinning van kunnen maken om als solist de wereld rond te reizen. Behalve Albrecht Mayer (Decca) is er ook François Leleux (Sony). Zijn meest recente opname luistert naar de titel ‘Le charme du hautbois’. Wie tussen de regels leest, weet dus al dat Leleux geen artistieke stijfkop is, maar zich veeleer als een aimabel genie aan het publiek wil presenteren. Ook zijn programma in Brussel getuigde daarvan: hij bracht een obscuur hoboconcerto van Antonio Pasculli op thema’s uit Donizetti’s ‘La favorita’, en liet daar keurig Mozarts verrukkelijke hoboconcerto KV 314 op volgen. Lichtvoetig tot en met, zelfs toen de solist als bisnummer een melancholisch brokje Gluck aansneed.

Pasculli was zelf hoboïst en niet ongebruikelijk voor die tijd was dat uitvoerders zelf stukken schreven waarin ze hun virtuoze ei kwijt konden. Dit concerto is dan ook een showmoment voor de solist, terwijl het orkest er dikwijls maar voor spek en bonen bij zit. Anders is dat met Iván Fischer aan het roer, iemand voor wie zelfs de meest eenvoudige fraseringen een grote zegen lijken. Zijn gevoel voor humor, contrast en evenwicht liet hij meteen blijken: een onpersoonlijke partituur kreeg hier een individueel gezicht. Leleux zelf klauterde zonder problemen van de ene naar de volgende halsbrekende passage, met een genereuze klank die hij tot in alle uithoeken van de zaal projecteerde. Fischer toont in elk van de bewegingen die hij maakt een doelbewuste ontleding van zijn muzikale karakteristieken. Leleux daarentegen is veel meer een veruitwendiging van zijn muziek. Veel uiterlijk vertoon dus, maar de klank had er geenszins onder te lijden.

Met Mozarts hoboconcerto voerde het Budapest Festival Orchestra vervolgens een repertoire in dat musici veel meer kunnen inspireren. Fischer zocht alweer geen geleerdheid in de partituur, maar bracht haar in al haar complexloze luister. Niets minder dan heerlijk is het om mee te maken hoe een orkest, gespeend van sterallures, laag na laag Mozarts vindingrijkheid weet te ontrafelen. Alleen voor het adagio vonden solist en orkest niet de broodnodige intimiteit, en ook daar liep Leleux’ bis enigszins op de klippen.

De uitgelaten stemming bleef hangen in het tweede deel. Nochtans is Liszts ‘Faust-symfonie’ (hier gespeeld in de orkestversie) geen werk om op een onvoorbereid orkest los te laten. Het ruim een uur durende stuk valt uiteen in drie delen. Daarin portretteert Liszt de drie belangrijkste personages uit Goethes Faust : Faust, een exuberant gecomponeerde mastodont van een sonatevorm; Gretchen, een delicaat andante en Mephisto, door Liszt lumineus gepresenteerd door te variëren op de reeds eerder gehoorde Faust-thema’s. Daardoor onstaat overigens de overkoepelende indruk van (alweer) een sonatevorm.

Dit grandioos vlechtwerk aan ideeën drijft elk orkest naar uitersten: Gretchen wordt bijvoorbeeld ontsponnen in een kamermuziekbezetting, terwijl in Mephisto alle funderingen uit hun lood geslagen lijken. Intonatieproblemen en van tijd tot tijd schoorvoetend samenspel lieten de indruk na dat het Budapest Festival Orchestra hier nog een weg af te leggen heeft. Niettemin voerde Fischer zijn orkest, vooral in het slotdeel, naar grote hoogten. De snobs zagen het niet graag gebeuren, maar nadien werd ook weer afgedaald, met Johann Strauss bovendien. Kortom toch met de glimlach naar huis, ondanks de diabolisch strijdende krachten in Liszts briljante symfonische uitwas.