Switch to mobile view
Fischer Iván

Een ochtendgloren. Enkele kruimels licht die zich een weg banen doorheen een nacht die nog vol is van zichzelf. Zo ongeveer zette Iván Fischer de prelude tot 'Der Freischütz' in. Van von Weber tot Prokofiev, met een ommetje langs Liszt: een evident programma kon je het niet noemen. Wat de geprogrammeerde werken evenwel gemeen hadden, was hun geflirt met het speelse, waaronder een sluimerend kwaad zich evenwel niet liet wegmoffelen. Een kolfje naar de hand van Fischer, die – als groot humorist én groot dramaturg – begrijpt dat plezier en drama elkaar niet hoeven uit te sluiten.

Marc-André Hamelin, Iván Fischer & Budapest Festival Orchestra, Carnegie Hall

Een stereo-effect bij de hoorns, die voor de arcadische introductie over het podium werden verdeeld: het was het eerste magische effect van vele. Fischer durfde het groteske opzoeken, maar streefde evengoed naar onvervalste esthetiek. De kwaliteiten van het Budapest Festival Orchestra werden daarbij fantastisch benut. Het gemillimeterde samenspel enerzijds, de onvolprezen solistische kwaliteiten anderzijds en de warme totaalklank als resultante van die twee: als geheel construeerden ze een wonderlijke ervaring.

Vlekkeloos zette die lijn zich verder doorheen Liszts eerste pianoconcerto. Fischer typeerde elke partij zodanig dat ze een karaktervolle dialoog met het klavier mogelijk maakte. Dat het materiaal voor het opusnummer polyvalent kan ingezet worden, bleek van meet af aan. Met een hang naar geestigheden maar zonder schroom voor bravoure, prepareerde Fischer de orkestpartij tot een om van te smullen.

En ja hoor, precies dat is wat solist Marc-André Hamelin deed. Bij hem is men aan het juiste adres voor zuivere techniek, klare communicatie en gebalanceerde affecten. Dat de reputatie van Hamelins discografie daarop gevestigd is, net als op een loepzuiver toucher en een volkomen begrip van muzikale architectuur: het maakt hem tot een gerespecteerd musicus. Het live allemaal waarmaken, dat kunnen echter alleen de titanen. En hoewel dat woord zijn frêle spel niet goed afgaat, moet het toch gezegd. Uit hetzelfde hout zijn er immers weinig gesneden…

Na de blijde verwondering ook een fractie terreur, moet Fischer tenslotte gedacht hebben. De eerste beweging van Prokofievs vijfde symfonie ruikt immers naar militair machtsvertoon. Wie in Brussel vier jaar geleden Valery Gergievs lezing als een koude douche te verwerken kreeg, leeft nog steeds met het idee dat boven elk deel een geur van angstzweet of paranoia hangt. Echter niets daarvan bij Fischer, die het ook nu weer niet kon laten om het baldadige op te zoeken.

Het eerste deel moest daardoor inboeten aan efficiëntie, hoewel de melancholische pool ervan uitstekend tot zijn recht kwam. In wat volgde, zette de dirigent de poort evenwel op een kier voor scherts, ironie, pastiche en leedvermaak. Ook de verschrikking was er, maar ze werd op een vanzelfsprekende manier overvleugeld door allerhande positiefs. De transparante ontleding van het symfonische kluwen die onderwijl plaatsvond, maakte de uitvoering dubbel zo interessant.

En imposant, want het orkest musiceerde beter dan ooit. Schijnbaar de kleinste ingrepen maakten het genie van de lezing uit, zoals duidelijk aanwezig slagwerk. Anders dan bij Gergiev geen mokerslag, maar een traject als een worsteling met een gevoelsleven. Daarmee dus de straat op? Nee, want Fischer wou absoluut nog een lans breken voor de menselijke stem. Een religieus koorzang van Russisch-orthodoxe origine uit de vijfde eeuw als breekbaar orgelpunt. Tot in de States – maar eigenlijk waar dan ook – palmt het de harten in.

Jan-Jakob Delanoye