Switch to mobile view
Als de meester schertst...

Boedapest Festival Orkest, Ivan Fischer & Dejan Laziæ, De Bijloke Gent

In maart van dit jaar was Ivan Fischer met zijn Budapest Festival Orchestra te gast in Brussel (BOZAR) en Brugge (Concertgebouw). Orkest en dirigent speelden toen een schitterend Wagnerprogramma waarin voor de hand liggende bombast werd omzeild, maar diepgaande klankrijkdom prominent aanwezig bleef. Als openingsconcert voor hun nieuwe seizoen wist De Bijloke verrassend genoeg ditzelfde orkest te strikken. Fischer bracht er drie werken met een totaal verschillend karakter, waarin hij echter telkens de humor beklemtoonde.

Openen gebeurde met de ‘Serenade nr. 4′ van György Orbán. Het programmaboekje specifieerde de stijl van deze hedendaagse componist als een moderne mix van Brahms, Mahler en Bartók. De ‘Serenade’ leek echter vooral geïnspireerd op wat Gershwin in het New York van de jaren ’20 schreef. Orbán componeerde een groteske orkestpartij waarin naast pompeuze effecten jazz-elementen en ritmische onnozelheden grossierden. Smakeloos, volgens sommigen, maar Fischer bedoelde dit werk duidelijk als een opwarmer en het orkest speelde de partituur niet alleen vanuit een immens plezier, maar tevens met een accuraatheid die leidde tot een verfijnde schranspartij.

Met Franz Liszt en diens ‘Totentanz – Paraphrase über ‘Dies Irae’, S. 126′ waagde Fischer zich vervolgens aan zwaarder repertoire. Dit werk staat bekend als een virtuoos huzarenstuk waarvan pianisten over het algemeen schrik hebben. Niet zo voor de nog jonge solist Dejan Laziæ, die de dodendans met een overdosis aan pianistiek lef aanpakte. Laziæ hakte zonder mededogen op zijn klavier in, maar nergens verloor hij zijn zin voor nuance. Fischer legde subtiele contrasten bloot en de partituur veranderde in zijn handen van een bombastische orkestorgie in een symfonisch veelzijdig tableau. De communicatie tussen dirigent, orkest en solist verliep feilloos en de dodendans werd tot in de details uitgewerkt tot een evenwichtig pareltje.

Na Liszt verliet Fischer het extreem van de virtuositeit en belandde hij bij de aanvoerder van het muzikaal-filosofisch repertoire: Gustav Mahler. Mahlers eerste symfonie is een complex, vierdelig werk waarin de middendelen een onschuld ademen die in schril contrast staan met de spanningen binnen het eerste en het laatste. Dirigenten wacht dan ook een moeilijke keuze, willen ze dit werk op consistente manier creëren: benadrukken ze de zwaarte of trachten ze de uitersten binnen de symfonie harmonisch te verbinden? Fischer beklemtoonde de lichtheid en bracht de volksmelodieën niet zonder humor tot leven. De beklemmende openingssequens (door Mahler zelf als ‘Langsam, Schleppend’ betiteld) verloor helaas een deel van haar spankracht en door het iets snellere tempo ging het beroemde ‘ontwakingseffect’ de mist in. De solisten werden daarenboven pas trefzeker naarmate de finale in zicht kwam en initieel leek Fischers Mahler te weinig richting te hebben.

Uiteindelijk maakten dirigent en orkest er wel degelijk een vloeiende choreografie van waarin Fischer de verschillende miniaturen heel natuurlijk met elkaar verbond. De keuze voor een doorgedreven sierlijkheid leidde tot een buitengewoon contrastrijke lezing, waarin bekoorlijke souplesse tegen roekeloze massiviteit werd uitgespeeld. De nasmaak van deze Mahler was er zonder twijfel een van positiviteit en hoop, hetgeen volstrekt in de lijn lag van de geestige programmatische rode draad. Dat het publiek van De Bijloke orkest en dirigent unaniem op een staande ovatie trakteerde, betekent dat de verwachtingen voor dit concert zeker werden waargemaakt.

Jan-Jakob Delanoye, Cutting Edge